Met
het wel en wee van de grienden, het ruige, hardnekkige landschap,
het vaak onbarmhartige klimaat, is het bestaan van de griendwerker
diep verbonden. Door de eeuwen heen was het een leven van armoede,
ondanks de lange, zware werkdagen.

In de afgelegen gebieden was de griendwerker soms 6 dagen per
week van huis; ver van huis. Uren lopen of roeien om er te komen;
´s maandagsmorgens al in het duister heen en ´s zaterdagsavond
weer terug. Een week lang hakken, zwoegen en slepen, met koude
nachten in de ´schrankkeet´; aanvankelijk een hut
van wilgentakken en riet, later van hout of zelfs steen. ´Griend-uil´
noemde men hem spottend; onopvallend, maar altijd in het hout
aanwezig. Zo zag hij er ook uit, zo was zijn aard: bonkig en taai,
niet kapot te krijgen en ondanks alle moeite: elk jaar weer terug.
Klik
hier voor het filmpje van de griendwerker.
Een wilgenstruik kan voor verschillende doeleinden worden gebruikt,
al naar gelang de dikte en lengte van het hout. De snijgrienden,
te vergelijken met een rietveld, leveren alleen twijg voor bind-
en vlechtwerk, dus hoofdzakelijk voor de mandenmakerijen. De hakgrienden,
bestaande uit lage knotten (stoven), tot vrij zware knotwilgen,
leveren materiaal voor diverse bestemmingen, zoals:
- bonestokken voor de tuinbouw,
- zwaardere stammen en rijshout (takkenbossen) voor de waterbouw,
- hout voor schop- en harkstelen,
- hoephout (hoepels) voor vaten,
- band voor de lichtere haringkuipen.
Het
gebruik van hoephout is echter allang verleden tijd.
Ook
de waterhuishouding is belangrijk in de griendcultuur; greppeltjes
voor de waterafvoer en dijken om het water op peil te houden.
Griendhout groeit het best in laag polderland of dicht bij grote
rivieren, maar het is geen waterplant. Met een goede bemesting
kan zelfs een griend aangelegd worden op hogere gronden. Bij een
juist beheer kan bijvoorbeeld een snijgriend 20 tot 30 jaar in
produktie worden gehouden. Inmiddels maken veel van deze terreinen
onderdeel uit van een beschermd landschap of natuurgebied.
Grienden
worden vooral aangetroffen in de Biesbosch, in de buurt van grote
rivieren in Utrecht en Zuid-Holland, in de IJsselstreek in Overijssel
en de Betuwe. De Biesbosch neemt hierbij een bijzondere plaats
in. Deze streek bestond uit weiland-, polder- en turfwinningsgebied.
Dat laatste ondermijnden de dijken tijdens de beruchte Elizabethvloed
in 1421, zodat deze het in die zware storm begaven. Het gehele
gebied (42000 ha) werd weer aan het open water toegevoegd. Het
door de Rijn en Maas aangevoerde zand en slib vormden platen en
banken, die bij eb droogvielen, met daartussendoor kreken en killen.
Het werd een uniek zoetwatergetijdegebied. Eerst schoot er de
bies massaal wortel (´Biesbosch´), daarna het riet
en op de al weer hogere platen: de wilg. Deze werd vanaf die tijd
uitgebreid aangeplant. En zo ontstond de griendcultuur.
Waarvoor
wordt griendhout gebruikt en waar groeit griendhout?
Door aanslibbing begon de bodem bij eb droog te vallen.
Daarmee ontstonden groeimogelijkheden voor planten. De Bies, een
plant die uitstekend gedijt in natte omstandigheden, werd een
veelvoorkomend gewas, waaraan de Biesbosch ook zijn naam te danken
heeft.
In de Biesbosch, alleen toegankelijk per boot, hebben door de
eeuwen heen vele mensen emplooi gevonden, het gebied was alleen
toegankelijk per boot. Met name visserij en jacht waren belangrijke
middelen van bestaan. Met de komst van de bies deed een nieuwe
ambacht zijn intrede. De biezensnijders gingen er in de zomer
op uit groene biezen te oogsten. De biezen werden, nadat ze elders
gedroogd waren, gebruikt voor het vlechten van matten en vloerkleden,
zittingen en rugleuningen van stoelen.
De griendwerker wordt de ene keer in stukloon, per bos, uitbetaald;
de andere keer is het aangenomen werk. Het griend wordt gebonden
en aan schelven gezet op de plaats waar het afgevoerd kan worden.
Het hele jaar door is er werk in het griend. In het winterseizoen
volop dagwerk, daarbuiten enkel onderhoud. Daarom verdient de
griendwerker er vaak ´s zomers wat bij als dagloner in de
landbouw.
Dat is een voor de handliggende combinatie, alleen al omdat ook
sommige boeren vaak in het bezit zijn van menig bunder griend.
´Hakken
van de lage stam´, noemt de griendwerker de activiteiten
tussen de ´stoven´. Stoven zijn de lage knotten vlak
boven de grond, waar vanaf de lang 2- of 3-jarige takken worden
gekapt. Het hout wordt op de ´hak´, de hakplaats,
aan bossen gelegd, zoveel als de griendwerker in een keer kan
dragen.
Zo´n bos heet een ´gang´. Het hout wordt ´aan
de paal´ gesnoeid; dat is een staande paal die als hakblok
dienst doet. Om stokken van dezelfde lengte te krijgen dient een
liggende tak op twee staande stokken als maat; dit noemen ze de
mik.
De takken worden gesnoeid en opgebonden. Vervolgens wacht de zware
gang door het laagstamgriend met het hout op de schouder, naar
de verzamelplaats, waar het wordt opgehoopt tot het wordt verladen.
Sorteren van het hout en afkorten op verschillende maten. Het
materiaal wordt klaargemaakt voor diverse bestemmingen. Soms vraagt
de rietdekker nog naar lange, rechte exemplaren. Als bonestokken
zijn ze nog altijd gewild; in zowel de landbouw als bij particulier
gebruik.
[tekst bij foto]
Een goede waterhuishouding is van groot belang in de griendcultuur.