Soorten griendhout
 

 

Er bestaan erg veel wilgenrassen die voor teelt en gebruik geschikt zijn. De schiet-, kraak- en laurierwilg zijn normaliter hoog opgaand geboomte (tot 25 meter) en worden geknot. De overige zijn struikachtigen die 2 ot 10 meter hoog kunnen worden, wanneer zij doorgroeien. De bekendtse zijn: katwilg, amadelwilg, bitterwilg, duitse dot, amerikaantje, frans geel en belgisch rood. Elke soort levert teen voor specifieke doeleinden. Twijg van de ene is zeer geschikt als vlechtteen, is al dan niet goed te schillen of te koken, terwijl de andere soort weer prima bindteen levert, of bijvoorbeeld gezocht wordt voor fijn wit vlechtwerk.


Eenden korven.

Wanneer een snijgriend te oud wordt, zal het geen mooie teen meer leveren. Zo´n terrein wordt dan gerooid en opnieuw ingepoot met jonge stekken. Na 3 a 4 jaar kan er weer volop gesneden worden.
Vooral in het snijgriend is het van belang dat er goed onderhoud wordt gepleegd. Omdat de teen vanaf de grond gesneden wordt, zit het snel vol met allerlei onkruid, riet en gras.


Belgisch rood.

Vroeger was katwilg de vlechtteen. Het werd hoofdzakelijk gebruikt voor de vervaardiging voor het zwaardere bruine mandwerk, zoals de aardappel- en hooimand. Het veel duurzamere belgisch rood en frans geel vormen nu hoofdzakelijk de snijgrienden. Het is veelgevraagd voor de mandenmakerij en is ook zeer geschikt als bindteen. Wanneer het blad gevallen is, ziet een veld frans geel er uit als een vuurrood bollenveld. Dat komt door de roodgekleurde toppen; de onderkant van de teen is geel. Bij het drogen verdwijnt de rode tint en wordt de twijg helemaal geel en krijgt uiteindelijk een bruine kleur wanneer het wordt gewaterd ten behoeve van het vlechtwerk. Er is weinig verschil tussen belgisch rood en frans geel. De zwarte driebast, een cultivar van de amandelwilg, is een teen met zeer goede eigenschappen; dat vinden ook de reeën. Aangezien deze dieren ook veel in griendgebieden voorkomen, wordt de driebast nog maar zelden aangeplant.